Onderstaand artikel van TNO is ingezonden door Charl Lavell (bedankt Charl). De titel zegt het al: er is onderzoek gedaan naar de verschillende motivaties van hardlopers. Het is pittige kost, met uitleg op basis van verschillende theorieën en aan het einde de nodige tabellen en grafieken met interessante onderzoeksgegevens.  Voor degenen die het leuk vinden om zich hierin te verdiepen...

 

 

De motivatie van hardlopers

 

Veel mensen die beginnen met sporten, vinden het lastig om dit lang vol te houden. Ze beginnen met hardlopen, maar stoppen er snel weer mee. Motivatie (door Wann in 1997 gedefinieerd als een psychologisch proces dat helpt om het gedrag van een organisme te sturen en te continueren) speelt hierbij een belangrijke rol. Door de motivatie van hardlopers in kaart te brengen, kan hun begeleiding worden verbeterd, en uitval worden voorkomen.

 

Motivatietheorieën

Er bestaan verschillende motivatietheorieën die getoetst zijn in veel domeinen van de sport (Wann, 1997). De ‘self-determination theory’ (SDT) van Deci en Ryan (1985) is daar één van. Deze theorie maakt onderscheid tussen intrinsieke en extrinsieke motivatie. Intrinsieke motieven liggen binnen een individu (de sport op zich leuk vinden); extrinsieke motieven liggen buiten een individu (prijzen, beloningen, gezondheidsvoordelen, sociale contacten). De SDT gaat ervan uit dat intrinsieke motivatie, in vergelijking met extrinsieke motivatie, gepaard gaat met meer plezier in de sport, meer inzet, een sterkere intentie om te gaan sporten, een betere prestatie en een intensievere vrijwillige volharding.

Een tweede motivatietheorie is de ‘Achievement Goal Theory’ (AGT), ontwikkeld door Nicholls in 1984. Deze theorie gaat uit van een 2x2 taxonomiewaarde, waarin prestatiebenadering (ego of performance-approach), prestatievermijding (ego of performance-avoidance), taakbenadering (task of mastery-approach) en taakvermijding (task of mastery-avoidance) voorkomen (zie Tabel 1). Een sporter kan in principe op meerdere profielen hoog scoren. Uit onderzoek blijkt dat mensen die hoog scoren op taakbenadering het minst snel zullen stoppen; sporters met een hoge score op prestatievermijding en een lage score op taakbenadering zullen waarschijnlijk het snelst stoppen (Duda, 1993).

Het is de vraag of er verschillen bestaan tussen verschillende groepen lopers. De vraagstelling die in dit onderzoek dan ook centraal staat, is de volgende:

 

Welke van de hierboven genoemde motivatiedeterminanten komen voor bij de hardlopers in Nederland, en bestaan er verschillen in motivatie tussen lopers wanneer gekeken wordt naar geslacht, ervaring, loopfrequentie en het aantal wedstrijden dat iemand loopt?

 

Motivatievragenlijsten

Om deze vraag te kunnen beantwoorden heeft TNO Kwaliteit van Leven een onderzoek uitgevoerd naar de motivatie van Nederlandse hardlopers. Hiervoor zijn twee vragenlijsten geschikt bevonden. Voor de SDT werd de ‘Sport Motivation Scale’ (SMS) geselecteerd. Deze vragenlijst werd in 1995 door Pelletier en zijn collega’s ontwikkeld. De SMS onderscheidt zeven subschalen, waarop de sporters een score kunnen behalen (zie Tabel 2). Er zijn drie intrinsieke en drie extrinsieke schalen, en één voor amotivatie. Aan de hand van deze subschalen kan de ‘self-determination index’ worden berekend. Deze index loopt van min 13 punten (amotivatie) tot 11 punten (intrinsieke motivatie). Hoe hoger de waarde die de sporter haalt, hoe intrinsieker hij/zij gemotiveerd is, en hoe kleiner de kans is dat de sporter stopt.

Voor de AGT werd de ‘Achievement Goals Questionnaire for Sport’ (AGQ-S) geselecteerd. Dit is een aanpassing van de AGQ, die in 2001 werd ontwikkeld door McGregor voor gebruik in academische settings. Conroy en zijn collega’s pasten de vragenlijst in 2003 aan, zodat deze ook bruikbaar werd in de sport.

Beide lijsten waren oorspronkelijk Engelstalig, maar omdat de doelgroep Nederlandstalig is, werden de vragenlijsten vertaald. Deze vertalingen zijn nog niet gevalideerd. De vragenlijsten zijn via internet afgenomen.

 

Het zoeken van proefpersonen

Voor de werving van de proefpersonen werden de volgende strategieën gebruikt:

1.      Er werd een oproep verspreid aan bekenden en aan medewerkers van TNO Kwaliteit van Leven.

2.      Op internet werd gezocht naar hardlooptrainers en mensen die trainingsschema’s voor anderen opstellen. Met hen werd contact opgenomen.

3.      Er werd gezocht naar informatieve hardlooppagina’s. Op een aantal van deze informatieve pagina’s was een forum, waarop de oproep geplaatst werd.

4.      Een atletiekvereniging werd benaderd door middel van een oproep in het clubblad en flyers die werden neergelegd in het clubhuis.

5.      Er werden flyers neergelegd in een vestiging van Runnersworld en in een aantal fitnesscentra en sportacademies.

6.      Een aantal mensen gaven de oproep door aan hardlopers die zij kenden, zodat de oproep steeds verder verspreid werd.

 

Resultaten: de motivatie van Nederlandse hardlopers in termen van de AGT en de SDT

De meest recente schatting die door de KNAU gehanteerd wordt betreffende het aantal hardlopers in Nederland, op basis van een onderzoek van Trendbox in 1997, is 2,7 miljoen. Hiervan beschouwen 0,6 tot 0,8 miljoen personen het lopen als hun primaire sport. Van deze grote groep lopers werden 401 mensen bereid gevonden om mee te werken aan het onderzoek, waarvan er 348 de lijst op tijd invulden; een repons van 87%. In Tabel 3 en Grafiek 1 staan de achtergrondgegevens van de proefpersonen.

In Grafiek 2 staan de gemiddelde scores van de totale groep proefpersonen op de twee vragenlijsten. Op de AGQ-S behaalden de proefpersonen een relatief hoge score op het profiel taakbenadering (5,31), wat wil zeggen dat ze zich vooral richten op het verbeteren van hun eigen prestatie. Op het profiel taakvermijding werd slechts een gemiddelde score gehaald van 2,83. De meeste lopers zijn dus niet bang om achteruit te gaan; hun voornaamste doel is om beter te worden, niet om achteruitgang te vermijden.

Op de SMS werden erg lage scores behaald op de schalen voor amotivatie (1,22) en extrinsieke regulatie (1,91) (zie Grafiek 3). Op introjectie scoorden de proefpersonen het hoogst (3,61). Aan de verschillende schalen en de self-determination index kan worden afgelezen dat de ‘gemiddelde Nederlandse hardloper’ meer intrinsiek dan extrinsiek gemotiveerd is. Op de self-determination index was de score namelijk 3,31 (min 13 = amotivatie; 11 = intrinsieke motivatie). Dit geeft aan dat de lopers hun sport vooral beoefenen omdat ze de sport zelf leuk vinden, en minder om redenen die buiten de sport liggen. Van amotivatie is bij het gros van de lopers geen sprake.

 

Vergelijking van groepen hardlopers

In Grafiek 2 en 3 zijn ook de scores van mannen en vrouwen apart weergegeven. In Grafiek 2 valt op dat mannen een significant hogere score behalen op prestatiebenadering dan vrouwen. Hieruit kan worden opgemaakt dat mannen meer gericht zijn op de prestatie dan vrouwen. Op de SMS scoren mannen significant hoger op twee van de drie extrinsieke schalen, te weten extrinsieke regulatie en identificatie. Daarnaast scoren mannen significant hoger op amotivatie, hoewel deze score bij zowel mannen als vrouwen relatief laag is. Op de self-determination index is de score van vrouwen hoger. Hoewel dit laatste verschil niet significant is, kan toch worden geconcludeerd dat mannen meer extrinsiek gemotiveerd zijn dan vrouwen, en daarmee samenhangend dat mannen meer prestatiegericht zijn.

 

Er is ook onderzocht of er verschillen bestaan in motivatie tussen beginnende, ervaren en zeer ervaren lopers (respectievelijk <1 jaar, 1-10 jaar en >10 jaar ervaring). De behaalde scores staan in Grafiek 4 en 5. Uit deze gegevens blijkt dat (zeer) ervaren lopers, in vergelijking tot beginners, meer gericht zijn op de prestatie en minder op de taak zelf (het hardlopen). Beginners haalden namelijk een hogere score op taakvermijding, terwijl zeer ervaren lopers significant hoger scoren op prestatiebenadering. Daarnaast scoren zeer ervaren lopers (significant) hoger dan beginners op identificatie en intrinsieke motivatie voor stimulatie. Op introjectie is het verschil niet significant, maar wel degelijk aanwezig. Zeer ervaren lopers zijn dus meer uit op een kick; er zou zelfs sprake kunnen zijn van ‘sportverslaving’.

 

Er blijkt een positief verband te bestaan tussen de ervaring van een loper en het aantal wedstrijden dat hij/zij loopt (R = 0,200; p = 0,000) en tussen de loopfrequentie en het aantal wedstrijden waaraan de loper meedoet (R = 0,360; p = 0,000). Dit geeft aan dat mensen die relatief veel wedstrijden lopen over het algemeen vaak trainen en meestal veel ervaring hebben (dus al jaren hardlopen). De op de SMS behaalde scores geven aan dat lopers die vaak aan wedstrijden meedoen intrinsieker gemotiveerd zijn dan lopers die dat niet doen (zie Grafiek 6). Dit is te verklaren: mensen die veel wedstrijden lopen, zullen veel energie in hun sport steken. Zij doen veel moeite om op niveau te blijven, willen zichzelf graag verbeteren en trainen daarom vaak. In Grafiek 4 valt op dat deze lopers logischerwijs een significant hogere score behalen op taakbenadering dan mensen die minder vaak wedstrijden lopen. Dat ze ook een hogere score hebben op prestatiebenadering is niet verwonderlijk; wie wedstrijden loopt, is meestal (mede) op de prestatie gericht. Dat wil niet zeggen dat iedere wedstrijdloper meedoet om eerste te worden. Er kunnen zich meerdere wedstrijden afspelen binnen één wedstrijd, bijvoorbeeld de wedstrijd tegen jezelf, tegen de klok, of tegen je loopmaatje.

 

Discussiepunten

In dit onderzoek is de man-vrouw verdeling als volgt: 60,9% mannen, 39,1% vrouwen. Volgens de KNAU is het aantal mannen en vrouwen momenteel ongeveer gelijk, maar zal het percentage vrouwen nog verder toenemen, aangezien dit percentage al een tijdje gestaag groeit. Deze gegevens komen niet met elkaar overeen; voor wat betreft de man-vrouw verdeling is de steekproef dus niet representatief voor de groep Nederlandse hardlopers. Waar dat aan ligt is niet duidelijk.

 

Er is al eerder onderzoek gedaan naar de motivatie van sporters. Volgens Li en Harmer (1996) zijn er geen verschillen tussen mannelijke en vrouwelijke sporters op de SMS, terwijl dat in de huidige studie wel degelijk het geval is. Een verklaring voor het verschil tussen het huidige onderzoek en dat van Li en Harmer zou kunnen zijn, dat de proefpersonen in de studie van Li en Harmer allen student waren. In het huidige onderzoek varieerde de leeftijd van jonger dan 20 tot ouder dan 60 jaar.

 

Duda (1993) concludeerde dat hoe langer mensen met een bepaalde activiteit bezig zijn, hoe sterker zij de neiging hadden zich te willen verbeteren. Hoewel de zeer ervaren lopers hoger scoorden op taakbenadering dan de beginners, was het verschil tussen de groepen niet significant. Beide groepen haalden een relatief hoge score op taakbenadering, wat wil zeggen dat ook beginners zich graag willen verbeteren.

 

Conclusie

Uit het onderzoek is gebleken dat hardlopers zichzelf graag willen verbeteren, en dat ze over het algemeen redelijk hoger scoren op intrinsieke motivatie. Mannen zijn daarbij wel prestatiegerichter en scoren hoger op extrinsieke motivatie dan vrouwen. Ervaren lopers blijken vooral te lopen voor de kick. Er is een significante positieve correlatie tussen de ervaring, de loopfrequentie en het aantal wedstrijden waaraan een loper deelneemt. Iemand die op deze drie variabelen hoog scoort, is intrinsieker gemotiveerd en meer op de prestatie gericht dan iemand die weinig ervaring heeft, weinig loopt en (bijna) geen wedstrijden loopt. Er zullen evenwel altijd individuele verschillen bestaan, waar rekening mee gehouden dient te worden. In de praktijk betekent dit dat looptrainers er rekening mee moeten houden dat niet iedereen op dezelfde manier gemotiveerd is. Het is daarom belangrijk om loop- en trainingsgroepen op een goede manier samen te stellen.

In de toekomst gaat TNO verder met onderzoek naar de motivatie van hardlopers. Het is belangrijk om te bepalen wat de beste manier is om sporters met bepaalde motivatie-determinanten te begeleiden. Daarnaast is het een interessante vraag of de twee theorieën (de SDT en de AGT) aan elkaar gekoppeld kunnen worden. Wellicht is het zo dat hardlopers die op een bepaalde schaal van de SDT hoog scoren, ook hoog scoren op een bepaald profiel van de AGT.

 

Literatuur

-Deci, E. L. & Ryan, R. M. (1985). Intrinsic motivation and self-determination in human 

  behavior. New York : Plenum.

-Duda, J. L. (1993). Goals: a social-cognitive approach to the study of achievement    

  motivation in sport. In: Singer R. N., Murphy M. & Tennant, L. K. (Eds.). Handbook of

  research on sport psychology. New York: Mac Millan.

-Li, F., & Harmer, P. (1996). Testing the simplex assumption underlying the Sport Motivation

  Scale: a structural equation modeling analysis. Research Quarterly of Exercise and Sport,

  67, 396-405.

-Onderzoek Trendbox 1997, projectnummer 87.112.

-Wann, D. L. (1997). Sport Psychology. New Jersey: Pearson Education.



Met dank aan Tinus Jongert en Erwin Tak, medewerkers van TNO Kwaliteit van Leven.

 

Over de auteur: Helmi van Hirtum is bijna afgestudeerd aan de Faculteit der Bewegingswetenschappen aan de Vrije Universiteit te Amsterdam (afstudeerrichting sport). Ze schreef het artikel naar aanleiding van haar stage bij TNO Kwaliteit van Leven.

 

 

Tabel 1: de vier profielen met een voorbeeld van het gedrag dat een sporter met deze profielen

              vertoont.

Profiel:

benaderend

vermijdend

taak-

 

proberen je looptechniek te verbeteren, zodat je efficiënter loopt en energie overhoudt voor een eindsprint

bewust een makkelijke route lopen in plaats van een moeilijke, omdat je bang bent dat je de moeilijke route niet aankunt en dus faalt voor jezelf

prestatie-

 

meedoen aan wedstrijden met als doel 1e te worden

vermijden dat je faalt, door wedstrijden te lopen tegen hele slechte (dan weet je zeker dat je wint) of extreem goede tegenstanders (dan heb je een excuus voor het verlies)

 

Tabel 2: De schalen van de Self determination theory: waarom doen mensen aan hardlopen?

Amotivatie

Extrinsieke motivatie

Intrinsieke motivatie

Ik weet niet meer waarom ik hardloop

Externe regulatie

Introjectie

Identificatie

voor stimulatie

voor prestaties

om te weten

Voor het ontvangen van beloningen/ voor het vermijden van straffen

Omdat de sporter een motief heeft geïnternaliseerd: voelt zich schuldig als hij/zij niet loopt

Omdat hardlopen zorgt voor persoonlijke groei en ontwikkeling

Voor de opwinding en het plezier dat lopen oplevert

Om verschillende aspecten van het lopen onder de knie te krijgen

Om meer te leren en te begrijpen over het lopen

Self determination index (continuum)

Laag (-13 punten)………………………………………………………………………………….hoog (11 punten)

 

Tekstvak: Tabel 3: achtergrondgegevens 
        	n = 348
Geslacht	, n (%)				
	Man				212 (60,9)
	Vrouw				136 (39,1)
Ervaring, n (%)
	Beginners (< 1 jaar)		57 (16,4)
	Ervaren	(1-10 jaar) 		151 (43,5)
	Zeer ervaren (>10 jaar)		140 (40,2)
Loopsituatie, n (%)
	Alleen				130 (37,4)
	Met een bekende/bekenden	42 (12,1)
	Bij een loopgroep/-club 		71 (20,4)
	Bij een atletiekvereniging		105 (30,2)
Wedstrijden, n (%)
	Nooit				43 (12,4)
	Soms (1-4 keer per jaar)		180 (51,7)
	Vaak (> 4 keer per jaar)		125 (35,9)
Andere sport naast hardlopen, n (%)	
	Ja				208 (59,8)
	Nee				140 (40,2)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De minimale score die kan worden behaald, is 1, het maximum is 7. Hoe hoger de score, hoe meer het profiel op een sporter van toepassing is.

* = significant verschillend (α = 0,05)

 

De minimale score die kan worden behaald, is 1, het maximum is 5. Hoe hoger de score, hoe meer deze determinant op een sporter van toepassing is.

SDI =  self determination index: minimum score -13 (amotivatie), maximum score 11 (intrinsieke motivatie).

↓ = significant verschillend (α = 0,05), * = significant verschillend (α = 0,01)

 

De minimale score die kan worden behaald, is 1, het maximum is 7. Hoe hoger de score, hoe meer het profiel op een sporter van toepassing is.

↓ = significant verschillend (α = 0,05), * = significant verschillend (α = 0,01)

 

 

De minimale score die kan worden behaald, is 1, het maximum is 5. Hoe hoger de score, hoe meer deze determinant op een sporter van toepassing is.

SDI =  self determination index: minimum score -13 (amotivatie), maximum score 11 (intrinsieke motivatie).

↓ = significant verschillend (α = 0,05), * = significant verschillend (α = 0,01)

 

De minimale score die kan worden behaald, is 1, het maximum is 5. Hoe hoger de score, hoe meer deze determinant op een sporter van toepassing is.

SDI =  self determination index: minimum score -13 (amotivatie), maximum score 11 (intrinsieke motivatie).

↓ = significant verschillend (α = 0,05), * = significant verschillend (α = 0,01)